
als ongegrond afgewezen. Op 10 februari 2021 heeft de
tegenpartij gemeld dat zij berust in dit vonnis en werd de
rechtsplegingsvergoeding ten belope van een bedrag van
EUR 18.000 door tegenpartij betaald aan de Vennootschap.
De tegenvordering van de Vennootschap werd als ongegrond
afgewezen door de rechtbank.
c) Naast deze twee gerechtelijke procedures was de Vennootschap
nog betrokken in een andere (thans afgeronde) gerechtelijke
procedure, waarin zij eveneens als verweerder optreedt. Op
12 oktober 2020 werd de Vennootschap door de erfpachter
van één van haar voornaamste retail panden gedagvaard voor
de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen.
Deze erfpachter, die, als gevolg van de COVID19-crisis
liquiditeitsproblemen had (met een aanzienlijke achterstand
van de erfpachtcanon (huur) ten aanzien van de Vennootschap
tot gevolg) en waarvoor een procedure van gerechtelijke
reorganisatie werd geopend door de Ondernemingsrechtbank
Antwerpen, afdeling Antwerpen, dagvaardde de Vennootschap
tot het bekomen, in hoofdorde, van de nietigheid van de
erfpachtovereenkomst wegens vermeend bedrog vanwege de
Vennootschap en, in ondergeschikte orde, tot het bekomen van
een aanpassing van de periodiek te betalen canonvergoeding in
overeenstemming met de actuele marktwaarde van het pand.
Aangezien de Vennootschap over zeer goede argumenten
beschikt om deze vorderingen te doen afwijzen (en om eventueel
een tegenvordering in te stellen), werden – onmiddellijk na
ontvangst van de dagvaarding - onderhandelingen gevoerd
tussen de Vennootschap en de eisende partij, dit met het oog op
het bekomen van een denitieve beëindiging van het geschil. Op
9 februari 2021 is er een overeenkomst van dading ondertekend
tussen de Vennootschap en de eisende partij waarbij, naast de
minnelijke beëindiging van de erfpachtovereenkomst (en de
handelshuur) voor het retail pand per 31 mei 2021, ook een groter
dan aanvankelijk geschat deel van de openstaande erfpachtcanon
(huur) door de Vennootschap werd gerecupereerd, zijnde een
bedrag van EUR 341.605 (waarvan een bedrag van EUR 166.605
ingevolge het afroepen door de Vennootschap van de door
de eisende partij gestelde bankgarantie onder de afgesloten
erfpachtovereenkomst). Het saldo van de schulvordering (buiten
de opschorting) van de Vennootschap ten aanzien van de eisende
partij ten belope van een bedrag van EUR 78.898,67 wordt in 55
maandelijkse schijven van EUR 1.434,50 betaald door de eisende
partij aan de Vennootschap, en dit vanaf 1 juni 2021. Als laatste
onderdeel van de dading heeft de eisende partij denitief en
onherroepelijk afstand gedaan van de ingestelde rechtsvordering.
De overeenkomst van dading werd tevens authentiek (notarieel)
verleden op 31 mei 2021. d De schuld binnen de opschorting
ten belope van EUR 142.150,52 EUR (ter uitvoering van het
reorganisatieplan van de erfpachter/huurder dat bij vonnis van
18 december 2020 gehomologeerd werd door de rechtbank)
wordt afbetaald door de eisende partij aan de Vennootschap over
een periode van 5 jaar, via kwartaalschijven van EUR 7.481,60,
te betalen door de eisende partij aan de Vennootschap, voor de
eerste maal op 2 maart 2021 en voor de laatste maal uiterlijk op
15 september 2025.
d) Bijkomend is de Vennootschap, als erfpachter, betrokken in
een voor de rechtbank hangende expertise voor een gebouw in
Gent, waar er in november 2020 zware gevelplaten losgekomen
zijn en naar beneden gevallen zijn. Bij vonnis de dato 9 juli 2021
werd door de Ondernemingsrechtbank Gent, Afdeling Gent
een gerechtsdeskundige aangesteld ten einde de gebreken,
de schade en de oorzaken vast te stellen. Op 10 maart 2022 is
een installatievergadering voorzien met alle betrokkenen in het
dossier. In principe zou de Vennootschap geen aansprakelijkheid
mogen oplopen in deze zaak nu de verantwoordelijkheid
omtrent dit gebrek normalerwijze exclusief rust op de betrokken
aannemer, onderaannemer en/of architecten.
e) De Vennootschap is tevens verwikkeld in een geschil voor de
Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank van Brussel met
betrekking tot één van haar studentencomplexen in het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest (dat zij eind 2020 heeft verworven), en dit
naar aanleiding van een aantal gebreken die werden vastgesteld
bij de uitvoering van werken door de aannemer tussen medio 2013
en eind 2014. Om die reden werd een bedrag aan openstaande
facturen aan de aannemer voor een bedrag van EUR 410.060,54
door de Vennootschap achtergehouden als zekerheid. De
Vennootschap (en meer speciek haar rechtsvoorganger) heeft
de aannemer en de architect dan gedagvaard op 28 januari 2015
(procedure die nog steeds hangende is voor de rechtbank). Door
de rechtbank werd tevens een gerechtsdeskundige aangesteld.
In het denitief deskundigenverslag van 25 april 2017 oordeelde
de deskundige dat er nog een openstaand saldo te betalen was
door de Vennootschap aan de aannemer van EUR 256.028,09,
exclusief interesten en contractuele bepalingen. Door de
Vennootschap (en meer speciek haar rechtsvoorganger)
werd een bedrag ten belope van EUR 100.000 betaald aan de
aannemer op 30 augustus 2017 (in ruil voor uitvoering van de
werken door de aannemer dewelke echter op heden nooit zijn
uitgevoerd), waardoor op heden er nog een openstaand saldo
is van EUR 156.028,09. Na neerlegging van het het denitief
deskundigenverslag wierp de Vennootschap bijkomend op
voor de rechtbank dat er zich nieuwe gebreken (onder andere
met betrekking tot ventilatie) hadden gemanifesteerd. De
Ondernemingsrechtbank besliste daaropvolgend bij vonnis van
20 december 2019 dat de opdracht van de gerechtsdeskundige
diende te worden uitgebreid. Daarna werd de onderaannemer
verantwoordelijk voor ventilatiesystemen gedagvaard in
tussenkomst door de aannemer (waarna deze onderaannemer
werd toegelaten in de procedure). Aangezien de deskundige
van oordeel was dat ook het verantwoordelijke studiebureau
(met betrekking tot de ventilatie) in de procedure diende te
worden betrokken, dagvaardde de Vennootschap bijkomend het
verantwoordelijke studiebureau in tussenkomst en besliste de
10.9.35
RECHTEN EN VERPLICHTINGEN BUITEN BALANS
In de loop van 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021 werden een
aantal panden verworven van derde partijen. Voor een aantal van
deze panden werd een (gedeeltelijke) huurgarantie verstrekt door de
verkopende partij. De duurtijd van deze huurgarantie varieert tussen
de 12 en de 36 maanden vanaf overdrachtsdatum. Meer bepaald
heeft de vennootschap een huur- of rendementsgarantie gekregen
voor het pand aan de Tongerseweg te Maastricht (geëindigd sinds
september 2017), Kronehoefstraat te Eindhoven (geëindigd sinds
september 2018), Tramsingel 27 te Breda (geëindigd sinds oktober
2017), Willem Dreeslaan in Utrecht, Spoorstraat in Venlo, Kwietheuvel
in Venlo, Antonia Veerstraat in Delft (geëindigd sinds september
2018), Waldorpstraat in Den Haag (geëindigd in september 2018),
Campus Verbeekstraat in Leiden (geëindigd sinds december
2018), Ariënsplein in Enschede (geëindigd sinds september 2019,
Naritaweg in Amsterdam (geëindigd sinds april 2019, Rotsoord in
Utrecht (geëindigd sinds augustus 2019, Oudergemlaan in Etterbeek
(geëindigd sinds oktober 2018, Tesselschadestraat in Leeuwarden
(geëindigd sinds december 2018), Annadal in Maastricht (geëindigd
sinds december 2020) , Duivendaal in Wageningen (geëindigd
sinds 2019), Alma Student (geëindigd sinds oktober 2020), Roxi in
Zaventem, Campus Bésos in Barcelona, 365 Rooms in Brussel, 6 en
30 in Antwerpen, Val Benoit in Luik, Katzensprung in Vaals, Uhub
São João in Porto (geëindigd in 2021), Uhub Benca in Lissabon
(geëindigd in 2021), Amro Malaga, Hubr Sevilla en Hubr Malaga.
10.9.36
GERECHTELIJKE EN ARBITRAGEPROCEDURES
a) Een vennootschap die in het kader van de IPO werd overgenomen
door de Vennootschap ingevolge een fusie, werd op 28 oktober
2015 gedagvaard in gedwongen tussenkomst voor de rechtbank
van koophandel te Leuven, in het kader van een geschil omtrent
een aannemingsovereenkomst voor de uitvoering van een
vastgoedproject. Het geschil heeft geen betrekking op vastgoed
dat tot de vastgoedportefeuille van de Vennootschap behoort.
De eiseres die dagvaardde in gedwongen tussenkomst en
vrijwaring deed inmiddels afstand van die vordering. In die
procedure stelde de oorspronkelijk verwerende partij op haar
beurt een vrijwaringsvordering in tegen de Vennootschap. Bij
vonnis van 6 april 2017 oordeelde de rechtbank van koophandel
te Leuven dat de overeenkomst opgenomen in het betrokken
contract in onderling akkoord tussen eisende partij en de
oorspronkelijk verwerende partij werd beëindigd en veroordeelde
zij deze laatste tot betaling van een beëindigingsvergoeding ten
gunste van de eisende partij. De vrijwaringsvordering van de
oorspronkelijk verwerende partij tegen de Vennootschap werd
door de rechtbank afgewezen als ongegrond.
Bij verzoekschrift van 12 juli 2017 werd door de oorspronkelijk
verwerende partij, thans appellante, hoger beroep aangetekend
tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven
van 6 april 2017. De vorderingen zoals gesteld in eerste aanleg
werden door de respectievelijke partijen hernomen in de
beroepsprocedure. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van
8 november 2021 werd het oorspronkelijk door eiseres gevorderd
bedrag van EUR 371.000 sterk herleid en werd appelante
uiteindelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag aan eiseres
van EUR 40.000, te vermeerderen met interesten. Bijkomend
werd de Vennootschap in beroep veroordeeld tot vrijwaring van
appelante voor het bedrag in hoofdsom, interesten en kosten
waartoe appelante ten aanzien van eiseres werd veroordeeld.
Gelet op de contractuele afspraken die de Vennootschap in deze
heeft gemaakt, is de negatieve uitkomst van deze uitspraak
voor de Vennootschap in zijn geheel niet materieel en beperkt
tot betaling van de dagvaardingskosten ten belope van een
bedrag van EUR 354,08 en de rechtsplegingsvergoeding (aan
appelante) ten belope van een bedrag van EUR 6.250. Ingevolge
de zeer beperkte negatieve impact van de uitspraak heeft de
Vennootschap berust in het arrest.
b) Bijkomend werd de Vennootschap op 4 november 2019
gedagvaard voor de Ondernemingsrechtbank Antwerpen,
afdeling Antwerpen, met betrekking tot een geschil over de al of
niet aankoop door de Vennootschap van 100% van de aandelen
in een targetvennootschap die een welbepaald vastgoed te
Antwerpen bezit. . In hoofdorde streven de aandeelhouders
van de targetvennootschap de uitvoering in natura van de
zogenaamde koopovereenkomst na. In ondergeschikte
orde eisen de aandeelhouders van de targetvennootschap
provisioneel een schadevergoeding van EUR 210.000 wegens
een vermeende contractuele inbreuk. Daarnaast worden tevens
lastens de Vennootschap de kosten van het geding gevorderd,
begroot op de kosten van dagvaarding (315,7 EUR), een
rechtsplegingsvergoeding ten belope van 18.000 EUR en het
rolrecht ten belope van 165 EUR.
Indien de Vennootschap zou worden gedwongen om tot
uitvoering in natura van de koopovereenkomst over te gaan,
zou dat volgens de aandeelhouders van de targetvennootschap
betekenen dat de Vennootschap een koopprijs van EUR 3.500.000
(deels door overname van een rekening-courant van één van de
aandeelhouders van de targetvennootschap) zou moeten betalen,
in ruil voor de aandelen (en aldus indirect de eigendom van het
vastgoed te Antwerpen). Dat de Vennootschap de aanspraken
van de tegenpartij ten stelligste betwist, wordt bijkomend kracht
bijgezet door het instellen door de Vennootschap van een
tegenvordering lastens tegenpartij wegens schending van de
contractuele bepalingen terzake. De schadevergoeding ingevolge
de tegenvordering werd provisioneel begroot op 49.623,76 EUR.
Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling
Antwerpen, van 1 februari 2021 werd de eis van tegenpartij
292 I FINANCIEEL VERSLAG
XIOR I Jaarlijks nancieel verslag I 2021 XIOR I Jaarlijks nancieel verslag I 2021
XIOR I 293